Jelmer's Infostek

artikelen geschreven
door Jelmer Uitentuis

beginpagina   uberhaupt   uitentuis.nl   links   jelmer  

Gedogen; zo kan het niet langer... Ja is Ja!

Het gedoogdebat is vertroebeld, nuancering in het gedoogdebat

Nee is nee, zo gaat het niet langer. Weldenkend Nederland houdt onze gedoogcultuur tegen het licht. Thomas van der Dunk, Jan Blokker, Heleen Dupuis, Marcel van Dam, Edith Mastenbroek, Paul Schnabel, Andries van Agt, Hans Gualtheri van Weezel, Paul Cliteur, Hedy D'Ancona, Cisca Dresselhuys, Pim Fortuyn, Maarten van Rossem en Herman Vuijsje mogen allemaal in een kolom uitleggen wat zij vinden van gedogen. Het levert een bonte verzameling opinies, definities en kort door de bocht analyses op. Gemor over gedoogbeleid, maar wat is dat nu eigenlijk, gedoogbeleid? Het ongelijk van Links lijkt te zijn bewezen met het groeiende bezwaar tegen gedogen; nee, zegt Jelmer Uitentuis, Links krijgt steeds meer gelijk. We moeten niet van tolerantie af, maar wel van gedoogbeleid.

Edith Mastenbroek begint haar betoogje aardig door te zeggen dat er twee dingen door elkaar worden gehaald: wanbeleid en gedoogbeleid. Dat is een ietwat sterker onderscheid dan de overige maatschappijcritici willen maken; die gooien stuk voor stuk gedogen, tolerantie, gedoogbeleid, handhavingsbeleid, discretionaire bevoegdheid, het opportuniteitsbeginsel op een grote berg door het allemaal onze gedoogcultuur te noemen. De gedoogcultuur vertroebelt het debat over de rechtscultuur, over handhaving en prioriteitstelling; in de politieke scoringsdrift is iedereen tegen gedogen, maar niemand kan gedogen eenduidig omschrijven.

Laat ik die omschrijving proberen te geven, en direct beginnen met het eerste onderscheid. Er is een gedoogcultuur en een gedoogbeleid; kortom er is een culturele component aan gedogen, een beleidsmatige en een juridische. De culturele component is er een van een traditie waar de Nederlandse maatschappij niet af wil; die is gegroeid uit de religieuze achtergrond van de Nederlandse samenleving. Nederland was tolerant voor mensen met een andere interpretatie van de Bijbel; het protestantse geloof dat dominant was, gedoogde de voorkeur voor een ander geloof, bijvoorbeeld het katholieke. In de genen van de Nederlandse samenleving zit dus een gedoogcultuur ingesloten die de godsdienstvrijheid als essentieel beschouwd, het is goedbeschouwd het bestaansrecht van de Nederlandse staat na de Tachtigjarige Oorlog.

Die religieuze tolerantie is niet gebaat bij de versimpeling van de geloofsbeleving, welke wel wordt aangehangen door bijvoorbeeld de westerse media en daarbij door de weldenkenden. Fundamentalisme, door Cisca Dresselhuys aangestipt, is in ieder geloof aanwezig, vertroebeld vaak het debat, en daarmee de wederzijdse tolerantie. Gedogen van deze excessen is een gedoogcultuur die vanuit de Nederlandse religieuze tolerantie begrijpelijk is. Vrijheid van Godsdienst is een grondrecht, en daarmee een fundamentele waarde van de rechtscultuur. Wanneer de gedoogcultuur zou worden afgeschaft zou de pluriforme Nederlandse maatschappij zijn bestaansrecht verliezen, dit is de negatieve, rechtse opvatting van afschaffing van de cultuur. Of zou de maatschappij kiezen voor de linkse optie; pluriformiteit als doel, als uitdaging, en daarmee het respect voor iedere mens?

In het debat over de gedoogcultuur wordt steeds het Nederlandse normen en waarden stelsel als uitgangspunt genomen; wanneer we het hier over gedogen hebben dan hebben we het over: je niet aan de Nederlandse normen en waarden houden, en daarbij dat er mensen zijn die, wanneer dat gebeurt daar niet op reageren. Gedoogcultuur heeft in optima forma te maken met het omgaan met andere normen en waarden, een andere religieuze interpretatie. De gedoogcultuur die door de weldenkenden wordt geschetst gaat dat aspect uit de weg; het idee van respect en het verdragen van andermans interpretaties valt binnen de gedoogcultuur, en ook binnen de Nederlandse normen en waarden.

Welk aspect van de gedoogcultuur bekritiseerd wordt is dat jongeren niet meer opstaan voor ouderen in de tram, dat mensen hun troep laten slingeren, dat fietsers niet meer stoppen voor rood licht, dat Marokkaanse jongeren een zwembad onveilig maken. Maar dat is geen gedoogcultuur, dat is een probleem. Een handhavingprobleem of een probleem gecreëerd door de onnoemlijke regelzucht van de overheid, of is het gewoon klagen en daar terminologie voor verzinnen?

Een gedoogcultuur gaat dus niet verder dan het met elkaar omgaan op basis van respect voor de algemene grondbeginselen van de samenleving: vrijheid van godsdienst, vrijheid van seksuele voorkeur, gelijke rechten voor mannen en vrouwen. Ieder mag daar individueel wel een andere interpretatie aan geven, maar in de samenleving als geheel tellen deze normen en waarden, die overigens niet inflexibel zijn.

Gedoogbeleid en juridische onderbouwing
Een totaal ander soort gedogen is het wettelijk gedogen; beleidsmatig gedogen. De Nederlandse politiek heeft een wettelijke basis gelegd om gedogen juridisch legitiem te maken. Het belangrijkste en bekendste voorbeeld hiervan is het Nederlandse softdrugsbeleid; in de wet staat dat het, conform Internationale verdragen en de moraal van enkele christelijke partijen, het verhandelen van softdrugs niet mag. In diezelfde wet staat ook dat mensen een bepaalde hoeveelheid softdrugs in hun bezit mogen hebben. Daar tussen is een vacuüm ontstaan, waar de Nederlandse politiek een gedoogbeleid voor heeft ontwikkeld; op basis van het gedoogbesluit wordt een coffeeshop wel toegestaan.

De wetgeving en de beleidsuitvoering hebben een paradox in zich; ze spreken elkaar tegen. De jurispudentie die is ontstaan heeft voldoende mogelijkheden gegeven om de legalisering van softdrugs mogelijk te maken; maar daar wil de Nederlandse politiek niet aan, dit omdat zij de Internationale Verdragen niet willen doorbreken, maar ook omdat de Nederlandse politiek sterk gedomineerd is geweest door tegenstanders van legalisering, met name uit christelijk (democratische) hoek.

Gedoogbeleid komt tot stand om een pacificatie in de politieke tegenstellingen te forceren; het is echter een laffe manier, waarbij kool en geiten gespaard lijken te worden. Het vervelende is dat gedoogbeleid leidt tot onduidelijkheid, en getuigd van een overheid die geen keuze durft te maken. Dat wil zeggen: een overheid die zwalkt, en ongeloofwaardig wordt ten opzichte van haar burgers. A zeggen en B doen is de politiek niet vreemd, dat dat in beleid en wetgeving wordt vastgelegd wel. Afschaffing van gedoogbeleid polariseert het debat; de scheidslijnen van de politieke voorkeuren worden duidelijker.

Toch is er een gedoogbeleid dat legitiem kan zijn, dat is het beleid vooruitlopend op wetgeving. Wanneer de volksvertegenwoordiging de intentie uitspreekt bepaalde wetgeving te gaan ontwikkelen en daarbij de wenselijkheid van deze toekomstige wetgeving zo hoog in te schatten dat deze voordat de echte wet er ligt deze te implementeren.

Verschil tussen gedoogbeleid en gedoogcultuur
Het verschil tussen gedoogcultuur en gedoogbeleid is dat het eerste van doortastendheid van de samenleving getuigd en de tweede van politieke lafheid. Uitgangspunt van de gedoogcultuur is dat er vele verschillen zijn tussen mensen, en dat deze ook bekrachtigd zijn in de grondwet. Daarmee is een creatieve samenleving mogelijk, daarmee is creativiteit in de samenleving mogelijk. Daarmee is samenleven mogelijk; stiptheid en zero tolerance als cultuurverschijnsel zijn funest voor iedereen. Een gedoogcultuur respecteert de eigen grondwet, en respecteert mensen die in de samenleving leven.

Gedoogbeleid is politieke onduidelijkheid creëren. Gedogen in de juridische bewoording is twee dingen tegelijk afspreken die met elkaar in tegenspraak zijn. Maar gedoogbeleid heeft wel een oorzaak; namelijk dat er om een of andere reden niet tot overeenstemming kan worden gekomen over de juiste aanpak van het gesignaleerde probleem. De politiek wil daarin niemand voor het hoofd stoten, zowel nationaal als internationaal en zegt en doet daarom zowel het een als het ander.

Het niet tegen het hoofd stoten van mensen lijkt ook van de gedoogcultuur een oorzaak, maar historisch gezien klopt dat dus niet; gedoogcultuur is een bescherming van de eigen cultuur, en ook een besef dat de dominante cultuur ook ondergeschikt is aan of kan worden aan een dominantere; bijvoorbeeld de vijand in de Tachtigjarige Oorlog of de Tweede Wereld Oorlog.

Gedoogbeleid wordt door de politiek geïnitieerd en geëffectueerd terwijl de excessen van het afwijken van de gegroeide normen en waarden door de politiek niet met de mantel der liefde worden bedekt, zoals sommigen willen doen vermoeden. Dat er door sommige weldenkenden wordt gepleit voor harder ingrijpen, heeft niets met gedoogbeleid te maken, ook niets met gedoogcultuur. Het heeft meer met handhavingsbeleid te maken, of de angst omdat gegroeide normen en waarden langzamerhand kunnen veranderen. Angst is een slechte raadgever, en angst geeft ook de verkeerde begrippen aan het debat mee. Een gedoogcultuur gaat er van uit dat mensen naar elkaar luisteren en naast hun individuele normen ook maatschappelijke normen hanteren. Komen deze niet met elkaar overeen dan is dat jammer, de samenlevingsnormen liggen besloten in de wetgeving en in de rechtstaat.

De verwarring in de kritiek op het gedogen
De kritiek op het gedogen is kritiek op alles wat te maken heeft met wetgeving, handhaving van wetgeving en tolerantie. Gedogen heeft, zoals eerder betoogd, twee kanten: een culturele, die moet blijven bestaan, en een beleidsmatige, juridische, waarin wetgeving en wetgeving en beleid elkaar tegenspreken. Maar gedogen is inmiddels het containerbegrip voor neezeggers geworden. Noemt CDA-er Balkenende: 'we moeten niet meer gedogen,' dan heeft hij het vaak over christelijke normen en waarden en over handhavingsbeleid. Noemen Alders en Oosting gedogen dan hebben zij het over wanbeleid, het niet adequaat optreden van de overheid en de politiek in situaties waar dat echt nodig was. Er zijn, kortom, verschillende aan beleid gerelateerde begrippen die worden geïnterpreteerd als zijnde gedogen. Een korte analyse van deze begrippen:

Handhavingsbeleid en prioriteiten stellen in het handhavingsbeleid. Gedoogbeleid en handhavingsbeleid zijn twee verschillende soorten beleid; het eerste gaat over het formuleren, initiëren en uitvoeren van met elkaar in tegenspraak zijnde wetgevingen en beleid. Handhavingsbeleid is het voorkomen en bestraffen van wanneer mensen zich niet aan de wet houden. Dat is dus wezenlijk iets anders dan gedoogbeleid; handhavingsbeleid gaat er van uit dat er geen discrepantie bestaat tussen de werkelijkheid en de wet, en dat wetten elkaar niet tegenspreken. Handhavingsbeleid is beleid dat te maken heeft met prioriteitstelling; degenen die de wet moeten handhaven moeten prioriteit leggen bij het handhaven van de wet, maar welke wet dat is en in hoe deze strikt geinterpreteerd wordt of opportuun wordt geacht, is aan de handhaver zelf.

Een ander verschil is dat handhavingsbeleid en de prioriteitstelling er bij, erg lijden onder de waan van de dag. Ze veranderen al naar gelang de publieke opinie verandert. Gedogen als cultuur is een veel langduriger en langzamer gegroeid systeem van tolerantie. Niet van onverschilligheid, maar van een bewuste keuze om elkaars waarden te respecteren, en daar een gezamenlijke norm van te maken.

Gedoogbeleid is een veel langduriger opgestart proces van wetgeving maken en beleid formuleren in de marges van de wetten en de publieke opinie; waarin tegenstrijdigheden in de wetgeving en het beleid zijn opgenomen. Vaak om het politieke debat te pacificeren, en gedeeltelijk om de wet handhaafbaar te maken en daar een juridische grondslag voor te geven.

Dat betekent dat gedoogbeleid een bewuste keuze is voor handhaafbaarheid van regels. Het is echter geen panacee tegen ongewenste regelgeving. Normen en waarden zijn fluïde maar de uitgangspunten er van , in groffe bewoordingen de tien geboden, nauwelijks. Wanneer wetten worden vervaardigd is met name de vraag waarom pertinent niet te handhaven regelgeving door de volksvertegenwoordiging worden aangenomen. Die vraag is hetzelfde wanneer de handhaving van die wetten een dusdanige aantasting zijn van de normen en waarden en de rechtstaat dat deze niet kan worden uitgevoerd. In veel gevallen is de economische factor een belangrijke om handhaving van de wet niet tot prioriteit wordt gesteld; de kosten zijn dan veel te groot ten opzichte van de nadelen. Dit geldt ook wanneer het om maatschappelijke kosten gaat; de kosten die het vertrouwen in de rechtstaat direct aantasten.

Dat gedoogbeleid kan worden opgelost door juist die wetgeving te doorbreken en meer naar de werkelijkheid te kijken; softdrugs wordt gedoogd, daarbij geldt de negatieve aanname voor het gebruik van softdrugs, toch is er, om verschillende redenen, een gedoogstatus gekomen waarin handel niet legaal is maar in sommige gevallen door de vingers wordt gezien. De oplossing van dit gedoogbeleid is de negatieve aanname te schrappen en een legalisering onder voorwaarden van te maken.

Het opportuniteits- beginsel
In Nederland bestaat het opportuniteitsbeginsel als een van de belangrijkste pijlers van de Nederlandse rechtstaat. Het Openbaar Ministerie heeft de beleidsvrijheid te kiezen voor vervolging van geconstateerde overtredingen en misdrijven. Het opportuniteitbeginsel is hetgeen waar de anti-gedogers, zoals in het artikel Nee is Nee, vanaf willen; deze willen zij vervangen door het legaliteitsbeginsel, wat inhoudt dat wat bij wet strafbaar gesteld is ook door het OM wordt vervolgd. In Nederland, met een ontzettend complex wetboek, is daardoor voor eenieder op elk moment van de dag vervolging mogelijk; dat wil zeggen, volgens de Nederlandse wet is alles wat men doet op een of andere manier strafbaar te stellen.

Duidelijk is dat mensen die tegen gedogen zijn dit vaak verwarren met het opportuniteitsbeginsel, terwijl het gedeeltelijk verweven, maar zeker niet onafscheidelijke aspecten van de rechtstaat zijn. Gedoogbeleid wordt wettelijk bekrachtigd door het opportuniteitsbeginsel algemeen bindend te verklaren voor de illegale activiteit. Bij het gedoogbeleid voor softdrugs is dat letterlijk het geval; het mag niet, maar wettelijk is geregeld dat de vervolging er van, onder bepaalde voorwaarden, uitblijft.

Gedoogbeleid afschaffen betekent dat onder bepaalde, en waarschijnlijk vrijwel dezelfde, voorwaarden coffeeshops gelegaliseerd worden.

Het opportuniteitsbeginsel is echter meer, vooral omdat vrijwel alles wat mensen in Nederland doen strafbaar kan worden gesteld. Het is het beginsel dat de afweging maakt of de samenleving meer gediend is met vervolging van een overtreding of misdrijf, of juist met het niet vervolgen er van.

Vaak is prioriteiten stellen daar al voorzet op; een zero tollerance beleid tegen kleine overtredingen (door rood licht fietsen, wildplassen) zal ontegenzeggelijk profijt opleveren voor de georganiseerde misdaad. Wanneer de prioriteit, ook in vervolging, slechts uitgaat naar kleine overtredingen bloeit er dus een gevaarlijker verschijnsel op.

Het Openbaar Ministerie heeft met het opportuniteitsbeginsel een belangrijke macht. Een officier van Justitie kan de afweging maken dat hij bepaalde zaken niet opportuun acht; dat wil zeggen, dat de zaak niet werkelijk gebaat is bij vervolging, kortom of het maatschappelijk effect van de vervolging groot genoeg is om de zaak te laten voorkomen.

Wanbeleid en discretionaire bevoegdheid
Het verschil tussen wanbeleid en gedoogbeleid mag duidelijk zijn, terwijl het toch vaak in een adem genoemd wordt, omdat sommige mensen gedoogbeleid wanbeleid vinden. Toch is het niet hetzelfde; wanbeleid is slecht beleid, vaak ondoordacht beleid, waarbij niet adequaat gereageerd wordt op zich voordoende problemen. Gedoogbeleid is juist doordacht beleid dat de mazen en randen van de wet en de mogelijkheden die de wet biedt, gebruikt om te komen tot een voor ieder dragelijke oplossing, politiek adequaat dus, maar niet per se ideaal beleid.

Wanbeleid is per definitie niet ideaal, gedoogbeleid is beleid dat doordat er bewust gekozen is om geen expliciete keuze te formuleren soms onduidelijkheid creëert; dat is ook het probleem. Wanneer een keuze niet duidelijk wordt gemaakt is die keuze ook nauwelijks uit te leggen als politiek slagvaardig. Gedoogbeleid heeft echter wel een ideaal als achtergrond. In het geval van softdrugs is dat het ideaal van bescherming van softdruggebruikers tegen harddrugs, door een scheiding tussen beide te maken. Wanbeleid is beleid dat de verkeerde keuzes maakt, of helemaal geen, zonder daar een ideale visie op te betrekken. De cafebrand in het Hemeltje is hier een voorbeeld van: geen ingrijpen in de gevaarlijke situatie en daarbij niet kunnen aangeven welke achtergrond dat had.

Discretionaire bevoegdheid en gedoogbeleid worden ook vaak met elkaar in verwarring gebracht; mensen die beleidsruimte krijgen, beleidsvrijheid om te handelen zoals dat in hun situatie het meest geschikt is, worden vaak verweten niet precies volgens de regels te werken. Vaak zijn deze er ook niet; een bureaucratisch afvinklijstje is niet de ideale situatie waarin innovatie kan worden verwacht.

Discretionaire bevoegdheid betekent dat mensen in hun beroep de vrijheid krijgen om bepaalde oplossingen te zoeken, betekent creativiteit en meestal is dat juist essentieel om de beste oplossingen voor problemen te vinden.

Mensen die tegen een gedoogcultuur zijn zijn er vaak tegen dat mensen niet precies doen wat ze is opgedragen: de wet handhaven is vaak schadelijker dan de wet niet strikt volgen, een politieagent moet dus de discretionaire bevoegdheid krijgen, de inschatting kunnen maken, of de openbare orde echt gebaat is bij direct ingrijpen. Een ambtenaar moet de inschatting kunnen maken beleid te volgen dat op langere termijn een gunstiger effect heeft dan via bureaucratische afvinkmethoden de regels te volgen.

De vraag is, wanneer we naar de beleidsmatige kant kijken, waarom veel regels niet worden afgeschaft? Waarom veel van de onnodige, of elkaar tegensprekende, wetgeving niet naar de prullenbak worden verwezen. Dat heeft te maken met twee essentiële aspecten van dezelfde daadkracht en prioriteitstelling die ten grondslag liggen aan het debat tegen het gedoogbeleid: daadkracht is je aan de wet houden, maar dan moeten die wetten wel helder en uitgewerkt zijn.

Dit geeft hoe dan ook een stimulans om te zoeken naar nieuwe mazen in diezelfde wet. Zolang politieke prioriteit niet hetzelfde worden gelegd, zolang mensen de scepsis ten aanzien van de wet en het handhavingsbeleid laten groeien, wordt wetgeving steeds meer dichtgetimmerd. Zolang politieke scoringsdrift leidt tot het meer en meer wetten aannemen, zal er geen einde komen aan het web van wetgeving waarin de Nederlandse samenleving, met de pleidooien voor hardere aanpak, in verstikt raakt. Dat betekent ook dat gedoogbeleid nog lang zal blijven; met onze eigen eisen die we aan de samenleving, de individuen en de instituties stellen willen we daarvoor gewoonweg te veel.

Uiteindelijk is het onderscheid tussen alles wat enigszins met gedogen te maken heeft moeilijk te maken; vandaar dat Balkenende, Fortuyn en consorten alles wat enigszins in de buurt komt van gedogen te veroordelen. Terwijl gedoogcultuur en tolerantie van hen niet meer mag, en gedoogbeleid voor hen hetzelfde is als discretionaire bevoegdheid en wanbeleid, is steeds de vraag: hoe dan, wat dan? En werkt het? En mag het van de Nederlandse samenleving?

Het is een vreemde uitleg van hoe gedogen in elkaar zit; de normen en waarden worden met eigen voeten getreden, en mensen verwijten anderen dat die er niet op reageren. Gedoogbeleid heeft dus te maken met een dubbele moraal, een paradox in het eigen denken. Maar de gedoogcultuur heeft te maken met een menselijk aspect van elkaar in de waarde laten: normen en waarden worden met voeten getreden wanneer de gedoogcultuur omslaat in de antitolerantie. De ongeloofwaardigheid van een overheid die gedogen als beleid en wet maakt ligt dan ook in die dubbele moraal; niet in het feit dat we tolerant zijn, maar in het feit dat de overheid zegt dat iets niet mag, maar eigenlijk toch wel.

Gedoogbeleid verliest zijn nut wanneer hetgeen gedoogd wordt de norm is geworden. Gedoogcultuur verliest zijn nut niet; want dat gaat over (culturele) verschillen, en verschillen blijven, maar worden niet altijd beschouwd als waarden. Zolang de discussie over gedogen niet over menselijke eigenschappen gaat, niet over onszelf in plaats van over de ander, heeft links nog steeds gelijk. Nee is Nee, en Ja is ook echt Ja.

2000