Jelmer's Infostek
artikelen geschreven
door Jelmer Uitentuis
Integratie is niet het doorknippen van banden met het land van herkomst
Misschien moeten we tevreden zijn met dat slechts maatschappelijke integratie lukt
De commissie Blok kwam met het langverwachte advies over de stand van zaken rond de integratie van allochtonen in Nederland. Het rapport concludeert dat de integratie niet gelukt, maar ook zeker niet mislukt is. Anderzijds dat de integratie meer ondanks het overheidsbeleid dan dankzij is bereikt. Het rapport suggereert echter dat contacten met het land van herkomst niet goed zijn voor de te integreren groepen allochtonen. De vraag is of dat zo is, en of we daar dan tegen moeten zijn?
Integratie is een complex begrip; het kent meerdere definities. Het SCP geeft in haar rapportage minderheden 2003 direct aan dat de meest algemene vorm wijst naar de mate waarin en wijze waarop etnische minderheden deel worden van de ontvangende samenleving. De manier waarop integratie plaatsvindt wordt in een column van Kees Schuyt beschreven als verhouding tussen individu en samenleving. Hij onderscheidt vier manieren die het gemakkelijkst kunnen worden beschreven als: 1) wij zonder ik, 2) ik zonder wij, 3) geen ik zonder wij, 4) geen wij zonder ik. Hij besluit dat daarin geen beste manier van integratie is. De plekken waarin integratie plaatsvindt zijn grofweg in twee sferen te verdelen, het gaat om maatschappelijke en culturele integratie. Integratie heeft te maken met identiteitsvorming, en dat in de verhouding tot het land waarin men verblijft, en het land van herkomst.
Maatschappelijke integratie is te zien als het volwaardig meedoen van allochtonen binnen de sferen van de arbeidsmarkt, op het gebied van huisvesting, in de politiek, in het onderwijs. Culturele integratie is meer te zien als het meedoen binnen de cultuur van de ontvangende samenleving, en kun je het gemakkelijks aflezen aan de identiteitsvorming van de allochtoon; voelt hij zich ook werkelijk deel van de ontvangende samenleving?
Het rapport komt met een aantal aanbevelingen waarvan de meeste te onderschijven zijn; er wordt ook aandacht geschonken aan de relatie tussen allochtonen en allochtone organisaties met het land van herkomst. In de Volkskrant stond het als volgt vermeld: Het beleid van de Marokkaanse overhead om banden met migrantengemeenschappen te behouden heft de integratie belemmerd. (…) Op het terrein van godsdienstbeleving oefenen Turkse en Marokkaanse overheden directe invloed uit via moskee-organsiaties.
In het boek “Gulle gevers” van Jelle van der Meer, wordt gekeken naar hoe mensen hier investeren in het land van herkomst. De conclusie is dat allochtonen familie en vrienden actief ondersteunen; zij sturen geld op en ook goederen. Dit is een grotere geldstroom dan die via ontwikkelingshulp wordt gegeven. Van der Meer geeft ook aan dat er verschillende bases zijn waarop deze transnationale charitatieve netwerken worden onderhouden. Hij bepleit het vergemakkelijken van deze geldstromen.
Een ander gegeven is dat allochtonen in Nederland steeds meer contact onderhouden met hun land van herkomst; ook dit is niet gek. Er zijn meer communicatiemogelijkheden via het internet en de telefoon en vervoer is frequenter en goedkoper geworden. Dit betekent dat de situatie in het land van herkomst beter kan worden gevolgd, en dus dat identificering met dat land blijft bestaan.
Integratie is in eerste instantie het deel worden van de ontvangende samenleving in de verschillende eerder genoemde sferen. Deze integratie leidde tot voorkort tot geleidelijke assimilatie; allochtonen waren in ongeveer drie genaraties dusdanig aangepast aan de Nederlandse samenleving dat zij niets anders doen dan hier vanzelfsprekend wordt geacht. Momenteel zijn tweede generatie allochtonen over het algemeen in eerste instantie verbonden met de plek waar ze vandaan komen, in tweede instantie met het land van herkomst, in derde instantie met Nederland. Dus; eerst Rotterdammer, daarna Marokkaan, daarna Nederlander.
Duidelijk is dat het land van herkomst in de identiteistbepaling van personen een duidelijke plek heeft; de gemeenschappelijke achtergrond is belangrijk, omdat aldaar bijvoorbeeld veel zekerheden achter zijn gelaten. De familie woont er nog, en die zijn blijvend van belang. De banden met je eigen geschiedenis zijn niet gemakkelijk te verbreken.
Wil men integreren dan zou men zowel maatschappelijk als cultureel in de maatschappij geintegreerd moeten raken. Die integratie faalt wanneer in beide niet wordt geintegreerd; cultureel en maatschappelijk buitenspel staan levert de vorming van een etnische minderheid op. Allochtonen hebben niet de neiging om wel cultureel, maar niet maatschappelijk te integreren. Maar andersom is deze ontwikkeling wel mogelijk; cultureel niet te integreren en maatschappelijk wel; allochtonen hebben dan bijvoorbeeld wel goede banen, maar vallen voor hun culturele gebruiken grotendeels terug op de eigen groep.
Het is onmogelijk mensen te dwingen geen gebruik te maken van de communicatiemiddelen die er nu eenmaal zijn. Culturele integratie is dus een complexe ontwikkeling, en als hierin ingegrepen wordt si dat binnentreden in de persoonlijke levenssfeer. Dat is niet wenselijk.
De identiteitsvorming van personen is moeilijk te sturen; je krijgt dingen mee van thuis, je krijgt dingen mee vanuit je omgeving. Dat vormt je, en dat maakt je een uniek individu in verhouding met je omgeving. Het hoeft niet per se de integratie te belemmeren als het hart gedeeltelijk nog steeds in het land van herkomst ligt. Misschien moet dat in plaats van ontmoedigd worden, juist wel versterkt worden. Want dat helpt de ontwikkeling van de landen van herkomst stukje bij beetje verder.
Een complex begrip als integratie staat niet op zichzelf; het heeft te maken met migratie, met identiteitsvorming, met ontwikkelingsmogelijkheden voor hier en daar. De banden met het land van herkomst worden daarbij veel belangrijker, en het is zinloos om deze kunstmatig te proberen door te knippen. Misschien is het daarom zo dat we slechts tevreden moeten zijn wanneer slechts de maatschappelijke integratie lukt.
januari 2004, OverDWARS