Jelmer's Infostek
artikelen geschreven
door Jelmer Uitentuis
Onderwijs... kan het beter?
Het DWARSe onderwijsplan is gemaakt met een aantal redenen; DWARS wil in het onderwijsdebat, zowel naar GroenLinks als naar heel Nederland, een zinnige bijdrage kunnen leveren. De ideeën die we hebben opgeschreven zijn gericht op de toekomst. Een leven lang leren en de kenniseconomie zijn momenteel toverwoorden, maar over de praktische invulling hoe dat allemaal ingericht moet worden is nog nauwelijks nagedacht. Wij proberen hierin een beeld te geven hoe wij die invulling zien.
Peter en Jelmer uit de Jongerenfractie van DWARS stelden dit document op naar aanleiding van een aantal discussieavonden die ze georganiseerd hebben in Utrecht. Daaruit kwam naar voren dat toegankelijkheid en een vrijere invulling van het onderwijs volgens DWARS nodig zijn. DWARS is niet tevreden met het huidige onderwijs.
Het stuk is opgebouwd uit een overzicht op de stand van zaken in het huidige onderwijs en de belangrijkste ontwikkelingen van nu. Daarna volgt een toekomstvisie over hoe het onderwijs er uit moet komen te zien.
Voor de inhoudelijke input willen we graag de volgende mensen speciaal bedanken: Olof, Elco, Kornee, Patrick, Jiske, Milena, Arno en Floor. Daarnaast zijn we Mohamed, de schaduwfractie 1999 en de jongerenfractie 2000 dankbaar voor hun ondersteuning. En natuurlijk iedereen die we per ongeluk vergeten zijn.
TOVERWOORDEN
De twee toverwoorden van de ministers van onderwijs Ritzen en Hermans zijn het leven lang leren en de kennissamenleving. Ook de ministers van Economische Zaken zijn enthousiast over de kenniseconomie. Wat die kenniseconomie precies inhoudt weet niemand, hoe er aan het concept van het leven lang leren kan worden beantwoord is een raadsel. Om een kennissamenleving goed gestalte te geven moet er duidelijkheid zijn over hoe en wanneer kennis ontwikkelt gaat worden en hoe iedereen met die kennis omgaat.
Dat betekent dat er duidelijkheid moet komen over welk gebruik van kennis wel en niet wenselijk is voor de samenleving en voor individuen. Ook kan de wijze waarop kennis verkregen wordt soms niet wenselijk zijn, bijvoorbeeld via ethisch niet wenselijke experimenten. Daarnaast moet het onderwijssysteem worden ingericht met oog op de toekomst; hoe leren mensen iets het beste, hoe benutten zij hun talenten op de door hun gewenste manier, en wat geeft het onderwijs voor kennis mee aan de deelnemers.
Een leven lang leren maakt het mogelijk dat mensen deel nemen aan een samenleving die meer gebaseerd is op kennis dan op materiele productie. Constant kunnen leren is belangrijk omdat kennis continu verandert en opleidingen, zoals deze nu bestaan, niet zullen voldoen. Iedereen zal gedurende zijn of haar leven bij moeten blijven door te blijven leren.
De invloed op het onderwijs van het leven lang leren zal vooral zijn dat in het onderwijs steeds minder de kennis zelf wordt overgedragen en steeds meer de vaardigheden om met deze kennis om te kunnen gaan.
Kennisontwikkeling is zowel een voorwaarde voor een leven lang leren als een doel wat voor de samenleving als geheel kan worden bereikt. Vooral in de huidige Westerse samenlevingen neemt op dit moment de concrete productiearbeid af en krijgt kennisproductie en het gebruik van die kennis een steeds grotere rol. Als niet de gehele samenleving wordt betrokken in dit proces zal er een steeds grotere groep zijn die buiten de boot valt en een kleine groep die steeds meer macht en invloed naar zich toe zal trekken.
Een economie die op kennis en kennisontwikkeling is gebaseerd is afhankelijk van de overdracht en toename van kennis. Daarom is onderwijs van essentieel belang, maar moet ook de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd zijn. In een samenleving die steeds meer draait om kennis is het belangrijk dat iedereen in de samenleving die kennis kan bereiken, zelf vergaren en inzicht kan krijgen in de actuele stand van zaken.
Kennis is mondiaal; dat betekent dat niet alleen de Nederlandse of Europese economie kan profiteren van de opgedane en ontwikkelde kennis uit de Westerse wereld. Dit betekent ook dat het alleenrecht van bedrijven op kennis niet mogelijk moet zijn. In de uitvoering van de kennissamenleving moeten aan de voorwaarden voldaan zijn waardoor iedereen die kennis kan gebruiken, mits dat getoetst is aan ethische codes.
De toekomst van het Nederlandse onderwijs moet dus aangepast worden aan de twee toverwoorden, maar ook de kennissamenleving en het leven lang leren moeten worden aangepast aan het onderwijs. Die wisselwerking geeft vorm aan onderwijs dat aan de behoefte van de samenleving voldoet, en andersom. In de toekomstvisie zetten wij uiteen hoe onderwijs toegankelijk is, hoe iedereen daar het meest van profiteert en hoe daarbij kan worden voldaan aan de toekomst en essentiële ethische en sociale waarden.
UITGANGSPUNTEN VAN NU
Het onderwijs van nu kenmerkt zich door toenemende concurrentie. Instellingen gaan zich steeds meer onderscheiden; dat zou heel positieve gevolgen kunnen hebben als daardoor de mogelijkheden voor deelnemers uitgebreid werden. Dat gebeurt echter niet; de concurrentie gebeurt op basis van cijferresultaten, het percentage allochtone leerlingen en het aantal mensen dat uitstroomt. De kwaliteitstoetsing is miniem, terwijl het onderwijs juist daarbij gebaat is.
Gelijkwaardigheid is voor het onderwijs essentieel; maar dat wil niet zeggen dat iedereen gelijk is. Lesgeven aan deelnemers in het huidige onderwijs is gebaseerd op gelijkheid in tijdsbesteding, aandacht en mate van begeleiding. Dit verkleint achterstanden niet en is ook niet motiverend voor deelnemers die ergens enthousiast over zijn. Gelijkheid moet vanuit een ander uitgangspunt worden benaderd; begeleiding die de deelnemer wil en nodig heeft.
Daarnaast wordt onderwijs gezien als een opzichzelfstaand instituut is. De plaats van onderwijs in de nieuwe kenniseconomie is, zeker met oog op de toekomst, aan verandering toe. Het onderwijs moet open worden voor iedereen.
De tijd die er aan leren en onderwijs wordt besteed is afgebakend door twee leeftijden: 4 en 16. Tussen het vierde en het zestiende levensjaar moet iedereen onderwijs volgen. Daarvoor en daarna is iedereen overgeleverd aan de goede wil van de overheid, de ouders of de werkgevers. Zij geven prioriteit aan economische aspecten van leren, terwijl de persoonlijke ontwikkeling juist belangrijker is.
De rol van het onderwijs in opvoeding en sociale ontwikkeling is lange tijd verminderd doordat het gezien werd als bemoeizucht van de overheid. De laatste tijd wil de overheid meer vat krijgen op de socialisatie en integratie van kinderen. Ideeën daarin zijn onder andere verplichte (opvoedings)cursussen voor ouders. De brede school is interessanter; dat is een school waarin maatschappelijke organisaties, het onderwijs, de overheid en natuurlijk deelnemers en ouders met elkaar samenwerken. De rol van het onderwijs in het opvoedingsproces is aanzienlijk en die moet dan ook niet uit de weg worden gegaan.
Het onderwijs gaat uit van wat mensen niet kunnen in plaats van wat ze wel kunnen en willen. Dat betekent dat deelnemers niet kunnen leren wat ze willen, maar altijd beperkt worden door iets dat ze niet zo goed kunnen. In een kennis en informatie-economie moet het uitgangspunt dan ook veranderen.
HOE GA JE NAAR HET ONDERWIJS?
Het schooltraject spitst zich nu toe op de eerste vijftien a vijfentwintig jaar van het leven van iedereen. Omdat dat ook de meest vormende periode is zal het onderwijs daar een zeer groot aandeel in blijven hebben.
De leerplicht begint in je vierde en eindigt in je zestiende levensjaar. De invulling van die leerplicht gaat niet veel verder dan het verplicht bezoeken van een school.
Instellingen hebben bepaalde verplichtingen naar de overheid toe, maar bezitten ook een autonomie. De verplichtingen worden vooral vormgegeven door toetsingsresultaten, de autonomie van scholen houdt in dat scholen zelf mogen weten hoe zij het onderwijs precies invullen.
Het onderwijs is niet ingericht op een leven lang leren of de kennissamenleving. Binnen het onderwijs zijn daarvoor niet voldoende faciliteiten aanwezig. Maar de onderwijsinhoud en werkwijze is er ook niet op ingericht.
In het onderwijstraject bezoek je verschillende instituten; op bepaalde leeftijden wissel je van school. Na de basisschool volgt de middelbare school. Daarna mag je verder met het vervolgonderwijs; mbo en hoger onderwijs.
Momenteel ontwikkelen zich de voorscholen, de brede school, maar ook private onderwijsinstellingen. Hieronder staat het onderwijstraject in chronologische volgorde.
In de voorscholen leer je spelend; maar voorscholen moeten niet het doel krijgen kinderen al van alles en nog wat te leren. Dat wil zeggen: aan voorscholen moeten geen strikte leerdoelen verbonden zijn. Voorscholen zijn er nu om mogelijke achterstanden vooraf te voorkomen; dit is geen slecht idee. Hierin werken buurthuizen, maatschappelijke organisaties, maar ook ouders en begeleiders samen.
Het basisonderwijs is een afgesloten geheel van basisschooltjes; variërend van klein tot groot en van openbaar tot speciaal. Iedereen leert hetzelfde: lezen, schrijven, rekenen, taal. Binnen het basisonderwijs zijn creatieve vakken spaarzaam; de tijd die leerlingen klassikaal aan vakken besteden is wettelijk bepaald. In groep een tot en met drie wordt nog meer spelenderwijs geleerd; daarna is dat snel afgelopen. In groep acht wordt de basisschool afgesloten met een advies over welke school het best bij de leerling zal passen aan de hand van Cito-toetsresultaten. Tussen scholen wordt geconcurreerd om genoeg leerlingen te krijgen; het niveau van onderwijs wordt getoetst aan de hand van de citoresultaten.
Het voortgezet onderwijs is opgedeeld in drie gedeelten: vmbo, havo en vwo. Daarvan is vmbo gericht op praktische kennis gecombineerd met enigszins theoretische kennis en zijn havo en vwo gericht op theoretische kennis gecombineerd met enige praktische kennis. Er zijn bepaalde leerdoelen in het voortgezet onderwijs: in de basisvorming (de eerste twee, drie jaar van de opleiding) moeten dertien vakken worden afgesloten; niet duidelijk is of dat met toetsing aan het eind moet of op een andere manier (hier is momenteel discussie over). Daarna zijn er in het vmbo verschillende profielen die gevolgd kunnen worden, die een praktische voorbereiding geven tot verschillende beroepen; overlap tussen verschillende profielen is nauwelijks mogelijk. Op havo en vwo volgt na de basisvorming het studiehuis; ook hier wordt gekozen uit profielen die een oriëntatie geven op vervolgopleidingen. Het niveau van het middelbaar onderwijs laat te wensen over. De basisvorming heeft grote hiaten; volgens de onderwijsdeskundigen is het zelfs geflopt. De uitgangspunten van het onderwijs in de basisvorming komen niet overeen met de uitgangspunten van de rest van het onderwijs, dat steeds meer gericht is op zelfstandigheid. Het studiehuis en het vmbo staan nog in kinderschoenen, maar zijn onderhevig aan veel kritiek. De bavo past niet in de ontwikkeling die de leerlingen in de rest van het onderwijs krijgen. De kloof tussen vmbo en het studiehuis is groot; de overstap is nauwelijks te maken.
Het mbo lijkt de meest ideale opleidingsvorm; na het vmbo is een leerling bijna verplicht naar het mbo te gaan waarin hij vooral praktisch wordt opgeleid. Het onderwijs in het mbo sluit goed op elkaar aan, en ook redelijk op het hbo. Doorstroming en overlap zou dus makkelijk mogelijk zijn; probleem is echter dat ROC's (mbo-scholen) in onderlinge concurrentie zijn en daardoor nauwelijks tot dit soort constructies komen.
In het hoger onderwijs zijn hbo en wetenschappelijk onderwijs gesplitst. Universiteiten gaan steeds praktischer lesgeven, hbo's passen steeds meer onderzoeksvraagstukken toe. Hierdoor wordt het verschil tussen beide soort opleidingen steeds kleiner. Dit vergroot ook de kloof met het mbo; de overstap naar hbo is dan nauwelijks meer te maken.
De autonomie van hogescholen en universiteiten is groot. Beiden bepalen voor een groot deel hun eigen beleid, de overheid is daarin vaak alleen maar geldschieter. Wanneer de overheid de hoger onderwijs instellingen nog vrijer laat zou dat de toegankelijkheid doen afnemen. Dat is niet wenselijk.
Het speciaal onderwijs staat redelijk los van het reguliere onderwijs. Toch stromen steeds meer leerlingen die vroeger speciaal onderwijs nodig hadden in het reguliere onderwijs. Dat maakt speciaal onderwijs echter niet overbodig. Het onderwijs moet uitgaan van de persoonlijke ontwikkeling van de deelnemer, waardoor een deel van de taken van het speciaal onderwijs in het regulier onderwijs kunnen worden opgevangen.
Het ontstaan van private instellingen is niet tegen te houden, zeker niet als je uitgaat van vrijheid van keuze voor onderwijs. Ook private instellingen moeten worden getoetst op kwaliteit en toegankelijk zijn voor iedereen. Daarnaast moet het ontstaan van private instellingen niet de kwaliteit van het overheidonderwijs verlagen.
De meest genoemde knelpunten in het huidige onderwijs zijn: lerarentekorten en zwarte versus witte scholen. Lerarentekorten komen doordat het leraarschap niet altijd even aantrekkelijk is; de werkdruk is hoog en de verdiensten in vergelijking met het bedrijfsleven laag. Verder is de flexibiliteit van het leraarschap niet groot. Bepaalde leerdoelen moeten gehaald worden, waardoor daarnaast nauwelijks tijd voor iets anders is.
Scholen met overwegend allochtone leerlingen worden als probleemscholen gezien. Toch zijn er ook witte scholen die te kampen hebben met leerlingen met leerdoel-achterstanden. Dus de benadering van witte versus zwarte scholen is niet juist. Taal- en andere achterstanden worden niet effectief aangepakt; dat komt doordat er vaak verouderde en niet op de individuele leerling gerichte methoden worden gebruikt.
De oplossingen om af te komen van de achterstanden van scholen met overwegend allochtone leerlingen zijn legio. Verplichte spreiding, aparte klassen voor leerlingen met achterstanden; ze zijn niet effectief, omdat daarmee de werkelijke problemen van de achterstanden niet worden aangepakt. Voorscholen en de brede school zijn al een stukje effectiever.
GELD
De financiering van het hoger onderwijs is een discussie op zich. Het gaat er dan niet zozeer om hoe het onderwijs eruit ziet, maar hoe het onderwijs wordt betaald en wie de risico's voor de kosten moet dragen.
Iedereen zal waarschijnlijk erkennen dat onderwijs zowel materieel als immaterieel voordelen oplevert voor de persoon die het onderwijs volgt. Er moet daarom een evenwicht worden gevonden tussen de kosten (niet noodzakelijk de risico's) die de persoon zelf moet dragen en welke kosten door de samenleving als geheel moeten worden gedragen.
Daarnaast is het uitermate belangrijk dat het onderwijs toegankelijk blijft. Dit houdt in dat de financiële risico's (niet noodzakelijk de kosten) bij de overheid moeten worden gelegd.
Er is een groot verschil tussen de kosten die worden uitgegeven voor het hoger onderwijs en het basis en middelbaar onderwijs. Met name aan wetenschappelijk onderzoek wordt een enorm bedrag besteed van het onderwijsbudget. Ook de studiefinanciering koste een hoop geld. Het basis en middelbaar onderwijs worden in verhouding behoorlijk onderbetaald.
In wetenschappelijk onderzoek wordt weinig geld besteed aan fundamenteel onderzoek, en veel meer in direct nuttig onderzoek. Dit onderzoek is vaak direct van nut voor het bedrijfsleven, toch betalen die nauwelijks mee aan de, voor hun zo belangrijke, wetenschappelijke kennisopbouw. Een verschuiving is hier mogelijk.
Bij het HBO zijn enorme tekorten die worden veroorzaakt door het huidige financieringssysteem. Ook is het moeilijk om geld vrij te maken voor de voorscholen en het ontwikkelen van brede scholen.
Niet wenselijke ontwikkelingen in het onderwijs zijn marktwerking en verdere decentralisatie; dat wil zeggen dat de overheid zich zoveel mogelijk terugtrekt uit het onderwijs en zo de bescherming van gelijke kansen en gelijke mogelijkheden loslaat. Marktwerking beperkt de mogelijkheden tot samenwerking tussen instellingen doordat die met elkaar moeten concurreren. Concurrentie brengt met zich mee dat instellingen het niveau van hun opleiding gaan meten aan de cijfers die participanten halen; dit betekent dat participanten geweerd worden aan de poort.
Decentralisatie heeft ongeveer dezelfde gevolgen. Hoewel instellingen regionaal georiënteerd moeten blijven, is en blijft overheidsinmenging van belang om gelijke kansen en mogelijkheden te garanderen.
TOEKOMSTVISIE
Algemene uitgangspunten:
In 2030 bestaat er geen primair, voortgezet of hoger onderwijs meer. Het onderwijs wordt dan opgedeeld in fasen. Deze fasen zijn te typeren als perioden van ontwikkeling; in een bepaalde fase ontwikkelt de deelnemer zich tot een bepaald niveau, afhankelijk van het vak en het schooltype. De fasen zijn per vak; dat betekent dat een deelnemer bij het ene vak een bepaalde fase al gepasseerd kan hebben, terwijl hij er bij een ander nog volop in bezig is.
De fasen zullen ongeveer zijn:
de eerste fase (globaal; de eerste drie jaar van het primair onderwijs)
de tweede fase (de tweede drie jaar van het primair onderwijs)
de derde fase (de laatste twee jaar van het primair onderwijs)
de vierde fase (de eerste twee jaar van het voortgezet onderwijs)
de vijfde fase (de voorexamenfase in het voortgezet onderwijs)
de zesde fase (de examenfase in het voortgezet onderwijs)
de zevende fase (eerste twee jaar (propedeusefase) van het hoger onderwijs)
de achtste fase (de vervolgjaren van het hoger onderwijs)
In deze fasen gaan we er niet meer vanuit wat deelnemers niet kunnen, maar juist wat ze wel kunnen. Dat betekent dat deelnemers van verschillende niveaus examens/diploma's kunnen krijgen. Zo kan je als je op havoniveau Nederlands, Frans en engels doet, daarnaast natuurkunde en scheikunde op het vwo doen, enzovoort.
De fasen zijn geen chronologische fasen, maar fasen van ontwikkeling die voor verschillende onderwerpen en elementen van ontwikkeling in verschillend tempo kunnen worden doorlopen. In het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt gestreefd om deelnemers zo snel mogelijk bepaalde basiskennis te laten ontwikkelen.
Deelnemers werken dan ook niet meer aan een algeheel overkoepelend diploma, maar aan een diploma of cv dossier. Van alles waar de deelnemer iets van leert krijgt hij een aantekening in zijn diploma/cv dossier; vakken die hij gevolgd heeft, cursussen, buiten"schoolse"activiteiten. Alles wat in de ontwikkeling van de deelnemer bijdraagt is van belang in zijn diploma dossier. Om dit dossier internationaal toetsbaar te maken moet er een instituut voor toetsing van deze dossiers komen.
Vandaar dat we onderwijs als belangrijke factor in ontwikkeling zien, maar het is volgens ons niet de enige factor. Er zijn veel activiteiten die kunnen bijdragen aan de ontwikkeling.
Het onderwijs staat dus niet centraal, maar juist de persoonlijke ontwikkeling. In de diverse onderwijsfasen word je als deelnemer ondersteund in je ontwikkeling door een adviseur die samen met jou je persoonlijk ontwikkelingsplan samenstelt. Hij stippelt, samen met de deelnemer en de ouders, een onderwijsplan uit. Deze adviseur volgt de deelnemer intensief; hij is, zeker in de eerste vijf fasen, degene die de deelnemer vrij nauwlettend in de gaten houdt. De fasen van onderwijs worden via het pop aangepast aan de leeftijd van de deelnemer.
Het persoonlijk ontwikkelingsplan is een van de belangrijkste veranderingen die in het onderwijs nodig is; het behelst onder andere een actievere en intensievere begeleiding van de deelnemer in het onderwijs, zodat alle kansen die de deelnemer heeft, en alle talent, zoveel mogelijk benut kunnen worden. In dit plan wordt rekening gehouden met de achtergrond van de deelnemer; zijn talenten, zijn sociaal-economische en culturele achtergrond etc.
De leerplicht wordt afgeschaft; hiervoor in de plaats komt een begeleidingsrecht. Vanaf het tweede levensjaar worden kinderen begeleid in het opzetten van hun ontwikkeling. Verplichte aanwezigheid op een onderwijsinstelling wordt gegeven door het persoonlijk ontwikkelingsplan. Dit is dus wel een vorm van leerplicht, maar die is toegespitst op de deelnemer en zijn pop.
Leerdoelen worden per fase vastgesteld, maar deelnemers zijn niet verplicht die leerdoelen binnen een bepaalde tijd te halen.
Een pop is een persoonlijk ontwikkelingsplan; samen met een pop-adviseur stelt een deelnemer dat pop samen. Daarin plan je wat je gaat doen; dus welke vakken de deelnemer gaat volgen, welke intensiviteit daar voor nodig is, hoeveel uur de deelnemer nodig heeft om het af te ronden en hoeveel contacturen hij aanwezig moet zijn. Daarnaast wordt in het pop opgenomen wat de deelnemer buiten het onderwijs aan ontwikkeling doet. Een pop is dus geheel gericht op ontwikkeling van de deelnemer. Alle kennis die voor de deelnemer van belang is kan worden ontwikkeld, waaronder feitenkennis en vaardighedenkennis.
DEELNEMERS ZIJN BEPALEND
Deelnemers zijn bepalend in het onderwijs van 2030.
Onderwijsinstellingen moeten gedeeltelijk marktgericht werken door te leveren wat de deelnemer wil; vakken, het tempo en de kwaliteit zijn voorbeelden. Ook moet de deelnemer de vakken kunnen krijgen waar hij om vraagt; iedere mogelijkheid moet geboden worden.
Het onderwijs staat in het teken van het pop; deelnemers moeten op maat hun onderwijs krijgen. Dat betekent ook dat deelnemers aan verschillende instellingen vakken kunnen volgen en fasen kunnen doorlopen. Deelnemers hebben een stamschool waarin zij de meeste vakken volgen, maar kunnen ook buiten die instelling vakken volgen. Hierdoor blijft de sociale functie van een school goed gewaarborgd.
Bestuurlijk zijn deelnemers ook meer bepalend; leerlingen en studenten krijgen meer te zeggen. De deelnemers hebben meer recht het beleid van de instellingen te bepalen. Ontwikkeling van beleidsnotities, aanname van personeel etc. worden met deelnemers bewerkstelligd
Omdat deelnemers niet meer direct verbonden zijn aan een enkele onderwijsinstelling moet de manier van meebeslissen veranderd worden; het pop is van belang om de inhoud van het onderwijs op de deelnemer af te stemmen. Daarnaast moeten de directies van instellingen en deelnemers gezamenlijk beslissen over faciliteiten, personeelsbeleid, arbeidsomstandigheden en het algemene beleid van de instelling. Deelnemers kunnen echter niet op alle instellingen meepraten over het beleid, dit zou namelijk de machtspositie van enkele leerlingen te groot maken.
De toegankelijkheid van onderwijs moet vergroot worden; ieder onderwijs moet voor iedereen ook echt toegankelijk zijn. Dat betekent voldoende financiële ondersteuning en tegemoetkoming. Collegegelden, schoolgelden, ouderlijke bijdragen etc. moeten naar beneden. De ontwikkeling van de leerling is toekomstgericht, ook de tegemoetkoming moet dat zijn; de invoering van studietax/kennisdividend is een goed alternatief voor het huidige systeem van studiefinanciering.
Ook moet er een tegemoetkoming zijn voor deelnemers om te reizen; ook voor deelnemers in de eerdere fasen moet het openbaar vervoer en daardoor het onderwijs toegankelijk blijven.
De ontwikkeling tot grootschalige instellingen moet gestuit worden; onderwijs dient bereikbaar te zijn, en binnen de omgeving voorhanden te zijn. Met name in de eerste fasen moeten scholen in de directe woonomgeving van de deelnemer zijn.
Grootschalige onderwijsinstellingen zijn niet gewenst. Deelnemers ontwikkelen zich beter wanneer de instelling op de personen gericht zijn, waar de deelnemer gemakkelijk het overzicht over weet te vergaren en zich thuis voelt. Binnen het middelbaar onderwijs en het hoger onderwijs zijn instellingen inmiddels gegroeid tot leerfabrieken; deze kunnen opgesplitst worden in kleinere instellingen, waar een centaal bestuur de onderwijsaanbieder is.
Ook Pop-adviseurs hebben een belangrijke rol in de opzet van onderwijsinstellingen en aanbieders. Zij kijken naar welke invulling wenselijk is voor de deelnemers.
Het aantal docenten in het huidige onderwijs is te laag. Door het invoeren van fasen wordt de werkdruk voor docenten kleiner. Toch moeten sommige docenten, met name in de een bepaald aantal fasen van het onderwijs flexibel kunnen omgaan met andere fasen. Het overlappen van meerdere fasen op een bepaald moment brengt voor de docent meer werk met zich mee. Toch kan deze overlapping zoveel mogelijk vermeden worden door het pop goed uit te stippelen; het zal dus niet vaak voorkomen dat er werkelijk problemen zullen zijn in de oplossing.
Door een gevarieerdere opleiding zijn docenten dus meer inzetbaar, door daling van de werkdruk zal het aantrekkelijker worden docent te worden. Hierdoor zal het tekort aan docenten verminderen. In 2030 moet het docentensysteem flexibel zijn; dat betekent dat deelnemers vakken kunnen volgen die door meerdere docenten worden gegeven.
Docenten zouden in status moeten worden verhoogd; dit kan door ze meer geld te geven of meer privileges. Dat is niet wenselijk, en de kans is groot dat het zijn effectiviteit mist. Gelijke beloning van docenten is van essentieel belang om de status te verhogen. Daarbij moet het doel zijn dat zesendertigurige werkweken ook werkelijk zesendertig uur kosten, en niet meer.
In 2030 volgt de financiering van het onderwijs het onderwijs, en de onderwijsbehoeften. Het onderwijs volgt daarmee niet meer het geld, maar juist andersom.
Dat betekent niet dat de deelnemers in het onderwijs naar hun eigen behoeften moeten investeren. De overheid waarborgt een bepaald kwaliteitspeil van onderwijsonderdelen op de instellingen. School- en Collegegelden worden verminderd, en ouderlijke bijdragen worden aan een maximum gekoppeld, evenals de boekenprijzen.
(Vroegere) deelnemers aan het onderwijstraject, moeten, wanneer zij een baan hebben, op basis van hun inkomen, studiegeld terugbetalen.
Het onderwijs wordt gefinancierd, waarbij uitgegaan wordt dat instellingen gelijke kansen hebben om het onderwijs dezelfde kwaliteit te laten hebben. De financiering van het onderwijs mag niet ten koste gaan van het loon van de docenten en andersom.
Wetenschappelijk onderzoek en het onderwijs moeten elkaar niet in de weg staan. Zonder wetenschappelijk onderzoek kan het wetenschappelijk onderwijs stil komen te staan, met een te grote investering in onderzoek wordt er minder aan onderwijs uitgegeven.
Daarom moet hier een splitsing in bekostiging zijn; de overheid ondersteunt onderzoek dat meer fundamenteel van aard is. Voor maatschappelijk tastbaarder nuttiger onderzoek worden financiële middelen uit het bedrijfsleven aangeboord.
Instellingen worden afgerekend op hun kwaliteit. Cijfers doen daarvoor niet terzake, hooguit kunnen ze kwantitatief aangeven hoe bepaalde onderdelen worden getoetst en afgerond. Kwaliteitstoetsing kan bijvoorbeeld door tevredenheids onderzoek over de mogelijkheden die de instelling biedt.
Iedereen heeft recht zijn kennis kwalitatief en kwantitatief te ontwikkelen. Dat betekent dat iedereen ten alle tijden de mogelijkheid moet hebben om te leren en informatie en kennis te vergaren. Instellingen zijn altijd open voor iedereen, selectie aan de poort behoort tot het verleden. Kennis is een machtsfactor, daarom is informatieachterstand zeer schadelijk voor de rechten van individuen en de samenleving als geheel.
De praktische toepassing van kennis moet aan strikte ethische codes voldoen, voordat de toepassing mag worden geproduceerd en gebruikt.
Kennisontwikkeling moet het hele leven door; kennis verouderd, toepassingen veranderen etc. Leren behoort tot de normale dagelijkse activiteiten. Iedere mogelijkheid kan worden aangeboord om te ontwikkelen; die kans moet gegeven worden.
Een belangrijk onderdeel van het onderwijs is dat er geleerd wordt hoe en waar bepaalde kennis en informatie kan worden verkregen.
CONCLUSIE; DWARS HEEFT NOG VEEL TE LEREN
Er moet nog heel veel veranderen in het onderwijs wil het klaar zijn voor een toegankelijke kennissamenleving. De positie van het onderwijs wordt steeds belangrijker; iedereen ondervindt de invloed van kennis. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan in de toekomst zijn uitgebreid.
Met dit plan kan DWARS en de jongerenfractie ook in de toekomst een nuttige bijdrage leveren aan het debat over actuele thema's die spelen in het onderwijs. Essentiële waarden als gelijke kansen, toegankelijkheid voor iedereen, en vrijheid van schoolkeuze blijven bewaard. Het Nederlandse onderwijs moet weer uitgaan van wat mensen wel in plaats van niet kunnen en willen; daar moet het onderwijs op ingericht worden. Met dit plan kan het onderwijs zich ontwikkelen, en degenen die daar van moeten profiteren ook.
Kennis van de toekomst is niet kennis van nu. Dat betekent dat dit ook geen plan is voor nu, maar voor de toekomst van iedereen.
2000 - DWARS