Jelmer's Infostek

artikelen geschreven
door Jelmer Uitentuis

beginpagina   uberhaupt   uitentuis.nl   links   jelmer  

De Rode draad moet groener

De rode draad voor het GroenLinks programma mist...

In het GroenLinksmagazine van januari 2001 schreven Jan-Willem Duyvendak en Jos van der Lans een essay waarin ze pleitten voor een politiek van publieke betrokkenheid als ‘rode draad’ voor het komende verkiezingsprogramma. Een pleidooi dat klaarblijkelijk de steun van het partijbestuur geniet: partijvoorzitter Mirjam de Rijk bestempelde het artikel elders in het magazine als een ‘mooi’ essay. Al bevat het artikel inderdaad een paar interessante uiteenzettingen, als rode draad voor het verkiezingsprogramma is het naar onze mening te mager. Onze bezwaren vallen in drie punten uiteen.

Ten eerste is de basis waarop de ‘rode draad’ is gebaseerd in onze ogen veel te beperkt.
Het essay begint met de constatering dat er van oudsher in de borst van GroenLinks twee zielen kloppen: een etatistische ziel, voortkomend uit het marxisme en de arbeidersbeweging, en een radicaal-humanistische ziel, met wortels in het anarchisme. Los van de wat krom aandoende beeldspraak - wat moeten we ons voorstellen bij kloppende zielen? - is het in onze ogen onjuist om ‘for the sake of the argument’ de historische basis van GroenLinks te versmallen tot slechts twee pijlers. GroenLinks kent, om in de beeldspraak van de auteurs te blijven, wel meer ‘kloppende zielen’, waarvan in ieder geval de ecologische op zijn minst een even prominente positie in zou moeten nemen als de twee in het artikel beschreven zielen. Die ecologische ziel moet ook een duidelijke plaats in het verkiezingsprogramma krijgen; de ‘rode draad’ zou wat ons betreft dus een stuk groener mogen worden dan Duyvendak en Van der Lans voorstaan.

Ons tweede bezwaar richt zich op de veronderstelling die ten grondslag ligt aan het streven om de publieke betrokkenheid als speerpunt voor het komende verkiezingsprogramma te maken. Volgens de auteurs van het essay is de betrokkenheid van burgers als gevolg van de individualisering de laatste jaren sterk afgenomen. Ze pleiten voor een meer ‘sociologische kijk op mensen’.
"In een samenleving waar de waardering voor de zelfbeschikking en de individuele autonomie toeneemt, neemt de waardering voor zaken die daarvoor een sta in de weg lijken als vanzelf af", lezen we in het essay. En iets verderop: "het gevolg daarvan is [...] dat steeds minder mensen bereid zijn om te kiezen voor een beroep in de gezondheidszorg, waarin diezelfde waarden geprofessionaliseerd vorm krijgen".
De omzetting van de culturele waarden van zelfbeschikking en individuele autonomie worden hier direct in verband gebracht met de keuze voor het werken in de zorg. Die bewering is op z’n minst discutabel omdat we juist een toenemende waardering van de zorg zien sinds het individu daar als autonome entiteit wordt beschouwd. Een keuze voor de gezondheidszorg als arbeidsmarkt is vooral onaantrekkelijk door een toenemend efficientiedenken, dat bij de zorg vooral betekent: meer doen in minder tijd. Een oplossing voor het tekort aan personeel in de gezondheidszorg moet eerder gezocht worden in het marktconform maken van de salarissen en het verbeteren van de arbeidsvoorwaarden, dan in het uitzenden van postbus51 spotjes, waarin werken in de zorg als ‘deugd’ wordt bijgebracht.

De sociologische kijk die Duyvendak en Van der Lans presenteren getuigt van een zeer beperkte visie. Voor het gemak laten de schrijvers ongeveer alle stromingen in de sociologie liggen om hun eigen ‘sociologische mensbeeld’ te creeeren, er vanuitgaande dat andere mensbeelden niet sociologisch zouden zijn. Er wordt gesproken over de moderne burger, maar die wordt net zo hard weer overboord gegooid als het gaat om interesses, zorgzaamheid, mededogen en nieuwsgierigheid.

De bewering dat de publieke betrokkenheid de laatste jaren is afgenomen, is nergens op gestoeld. De manifestering van ‘deugden’ in het publieke domein wordt juist steeds massaler, al heeft deze wel andere vormen aangenomen: stille tochten tegen zinloos geweld en als medeleven bij rampen, de boycot tegen Shell vanwege dumping van de Brent Spar, het vergetarier worden vanwege BSE. 'Publieke waarden' hebben niet, zoals wordt gesteld, een individueel karakter gekregen, maar zijn steeds breder in de samenleving verspreid en verankerd geraakt. Het is de kunst van de overheid om bij deze nieuwe vormen van ‘publieke betrokkenheid’ aan te sluiten, in plaats van terug te willen naar waarden van vroeger.

Ons derde bezwaar tegen het artikel is de dogmatische en eenzijdige wijze waarop de schuld van alle problemen van de huidige maatschappij bij de vermaledijde privatisering worden gelegd. Een voor een worden de neo-linkse mantra’s opge(ommanipadme)humt: publieke armoede, privatiseringsgolf, doorgeschoten neoliberalisme, enzovoorts. Om de auteurs te parafraseren: er zit een ondertoon in die ons (en hopelijk ook GroenLinks) niet aanspreekt.

In dit verband een citaat uit een heel ander werkje: "Het marktmechanisme is onmisbaar voor een fijnmazige afstemming van productie en consumptie". Geen zinsnede uit een VVD-folder, maar uit de publicatie 'Uitgangspunten van GroenLinkse politiek', het in 1991 opgestelde, maar nog steeds actuele beginselprogramma van GroenLinks. De schrijvers van het essay hadden er goed aan gedaan dit boekje eens goed door te lezen alvorens hun artikel te schrijven.

Natuurlijk zijn er genoeg terreinen te noemen waar de markt er een zootje van maakt. Er zijn echter ook voorbeelden waar de combinatie van markt en afwezige overheid juist meer oplevert dan in elk ander geval. Bekijk de telecommarkt, en de bevoegdheden die de Opta daar heeft. Duyvendak en Van der Lans laten een verkenning langs vormen van marktwerking die in de praktijk wel nuttig zijn gebleken achterwege. Dat schept niet alleen een eenzijdig beeld, maar maakt ook minder zichtbaar wat er voor die zo gehate neoliberale politiek in de plaats moet komen.

Het grootste probleem nu is dat die privatisering niet direct wordt ingebed in een consequent overheidsbeleid dat de gevolgen voor solidariteit en ecologie voldoende waarborgt. Dat GroenLinks geen trek heeft in bepaalde vormen van privatisering en marktwerking spreekt voor zich, maar de kritiek wordt in het essay niet onderbouwd en is ook niet op basis van een duidelijke uiteenzetting van de achtergronden van die privatisering. Nu dan maar even in een notendop:

De overheid privatiseert om een aantal redenen: de aangeboden dienst kan efficienter en of klantgerichter werken door zelfstandig te opereren, de aangeboden dienst valt niet binnen de overheidstaak, de kaasschaaf moet worden gebruikt om publieke financiering terug te dringen

In het eerste geval kan er geen sprake van zijn dat GroenLinks zich verzet tegen privatisering en marktwerking; het bevordert keuzevrijheid en de zelfstandigheid van de burger. In het derde geval mag er kritiek verwacht worden.
Het tweede geval is het lastigst, vooral ook omdat de beoordeling of iets wel of niet tot overheidstaak moet worden gerekend, afhankelijk is van allerlei factoren. In het debat over wat overheidstaken zijn en wat niet, pleiten wij voor een kritische blik die er niet vanuit gaat dat marktwerking per definitie fout is.

Concluderend zouden we willen stellen dat het essay van Duyvendak en Van der Lans een interessant discussiestuk vormt, maar ongeschikt is om als rode draad voor het komende verkiezingsprogramma te fungeren. Juist nu de herijking van de overheid in volle gang is, is een sterke visie op de rol van de overheid van groot belang. In zo’n visie mag een groene component niet ontbreken en de pretentie moet verder gaan dan terug te willen keren naar de waarden van vroeger. Het moet de uitdaging zijn voor een progressieve partij als GroenLinks om door achteruit te kijken, vooruit de denken. We hopen dat de programmacommissie dit uitgangspunt als rode draad zal nemen, zodat GroenLinks de verkiezingen in kan gaan met een evenwichtig, stevig en ‘mooi’ verkiezingsprogramma.

2001 - samen met David Rietveld en Arno Bonte