Jelmer's Infostek
artikelen geschreven
door Jelmer Uitentuis
Veiligheid; beginnen bij de oorzaak
Veiligheid in drie politieke visies?
Verkiezingsretoriek; na de rampen in Enschede en Volendam, in een tijd waarin criminaliteitscijfers lijken te groeien, en het onveiligheidsgevoel alsmaar groter wordt, is het veiligheidsdebat opportuun. Maar het leent zich volgens GroenLinks niet voor goedkope verkiezingsretoriek. Lijsttrekkers van CDA, VVD roepen al jaren om een repressief beleid, PvdA en D66 doen inmiddels vrolijk mee. Wat is de achtergrond van het veiligheidsdebat, en waarom is de keuze van de politiek om te pleiten voor repressief veiligheidsbeleid te kortzichtig?
De keuze voor repressie in het maatschappelijk debat heeft een aantal oorzaken, maar allereerst moet daarvoor het begrip veiligheid worden uitgelegd. Want immers; wat veiligheid is in de discussie over bestuurlijke verantwoordelijkheden is een heel andere veiligheid dan in de discussie over sociale zekerheid of over criminaliteit. Ik beperk me tot het criminaliteitsdebat, maar omdat hierin steeds vaker en duidelijker gewezen wordt op de verantwoordelijkheid van de bestuurder en de politicus, zal ik daaraan aandacht besteden.
Dan laat ik achterwege wat de precieze omschrijving van criminaliteit is; want wat buiten de wet valt is niet per definitie crimineel. De aanname in Nederland is wat niet omschreven staat als legaal en wat ook niet staat omschreven als illegaal, niet crimineel kan zijn. Criminaliteit is dus echt het doen van illegale activiteiten, waarvoor men strafbaar kan worden gesteld.
Maar het veiligheidsgevoel en criminaliteit zijn nauw met elkaar verbonden. Dat wil zeggen; wanneer criminaliteit bespreekbaar of meer zichtbaar wordt, vergroot het onveiligheidsgevoel, omdat daarmee de kans om slachtoffer te worden groter lijkt te worden. Terwijl het aantal delicten volgens de statistieken niet per se oploopt. Criminaliteit kan door een groeiend onveiligheidsgevoel toenemen; dat gebeurt dan met name doordat de definitie van criminaliteit verbreed wordt. Ofwel; er komt steeds minder wat wel mag, terwijl de mogelijkheden om dingen te doen, legaal of illegaal, risicoloos of risicovol, toenemen.
Onveiligheidsgevoelens en criminaliteit hebben dus in oorsprong een elkaar versterkend effect. De criminaliteitscijfers in statistieken duiden op een toename van het aantal meldingen van bepaalde illegale activiteiten; dat heeft een aantal oorzaken: de criminele activiteit wordt ook maatschappelijk gezien als niet getolereerd. Ten tweede kan ook de media het criminaliteitscijfer opstuwen. De maatschappelijke acceptatie van de gedachte dat bepaald gedrag buiten de norm valt is een effect van agendabepaling. Wat als illegaal op de agenda staat wordt ook niet getolereerd.
Een mooi voorbeeld hiervan is geweld binnen het huwelijk; in 1973 kwam hier een verbod op, daarvoor was het nog een maatschappelijk geaccepteerd verschijnsel. Wat het feminisme als normloos bestempelde is nu doorgedrongen in de gehele rechtspraak.
Ten derde kan het verschijnsel bijvoorbeeld te danken zijn aan een meldingsplicht; meestal wordt deze opgelegd door een verzekeringsmaatschappij die proces verbaal eist alvorens het verzekerde uit te keren.
Een vierde stimulering van melding is dat mensen ofwel het gevoel hebben dat de politie meldingen serieuzer neemt, en werkelijk de oplossing kan bieden, ofwel het gevoel dat de politie een stimulering nodig heeft in de opsporing van een bepaalde criminele handeling.
Het omgekeerde is vaak gemakkelijker te bewijzen; wanneer de politiestatistieken aangeven dat het aantal fietsen dat gestolen is gedaald is, kan men daar nauwelijks een conclusie uit trekken. Wel kan worden gezegd; het aantal fietsdiefstallen is gestegen, of het aantal aangiftes is gedaald omdat men minder vertrouwen heeft dat de politie de fiets terug zal vinden. Als laatste kan worden genoemd dat het ook kan zijn dat het stelen van fietsen norm is geworden, of de stimulering om de diefstal aan te geven is weggevallen.
Illegaliteit heeft dus in hoge mate te maken met normen, en die worden maatschappelijk bepaald. Wat wel en wat niet mag is afhankelijk van de sociale context, de maatschappelijke acceptatie. Maar dat de omgeving hoe dan ook bepalend is voor het stellen van de normen is alleen al af te leiden uit de acceptatie van bepaalde voor de wet illegale activiteiten in verschillende sociaal economische groepen. Onder studenten is het geaccepteerder een fiets te kopen van een junk, dan voor een rijke yup. Bij de rijkere mensen komt wittenboordencriminaliteit veel meer voor dan in de lagere sociale klassen. Zwart werken is meer geaccepteerd bij mensen die leven rond het sociale minimum.
Criminaliteit heeft een door en door sociale achtergrond, melding en groei van criminaliteit dus ook. Het onveiligheidsgevoel is zonodig nog meer afhankelijk van anderen - de omgeving - in plaats van gestoeld op het individu, het individuele, het persoonlijke, gevoel. Dat maakt het criminaliteits- en veiligheidsdebat direct troebel. De algemeen theoretische stelling is namelijk dat criminaliteit een bewuste, maar in hoge mate, individuele keuze is. Een persoon kiest als het ware bewust voor buitenwettelijk gedrag; alles in zijn geheel losgekoppeld van bijvoorbeeld de sociaal economische context.
Een klein sprankje bewustzijn van de sociale context van criminaliteit zit hem nog in het pleidooi voor goede opvoeding. Daarbij moet men sceptisch zijn: ook opvoeding vindt plaats in de sociale context die vormgegeven wordt door mensen om het gezin, de opvoedingsplek, heen.
Genoeg daarover: criminaliteit is niet individueel maar vooral een sociaal verschijnsel. De beroemde fabel van Frances Hutcheson; The fable of the bees: Private Vices Public Benefits, geschreven in 1750 gaat over een ietwat ander verschijnsel. Individuele criminaliteit wordt hierin beschreven als een publiek goed; een kleine ontwrichting van de samenleving is essentieel om de eenheid in een samenleving te bevorderen, danwel in stand te houden. Twee en een halve eeuw geleden werd dus al de conclusie getrokken dat criminaliteit nodig is.
De overweging van de politiek om hard in te grijpen en repressief op te treden is uit het theoretisch perspectief dat criminaliteit een individueel verschijnsel is begrijpelijk. Immers dan gaat men er in het beleid van uit dat de individuele keuze moet worden omgevormd en niet meer voor mag komen. Duidelijk is dat het individueel perspectief in alle toonaarden verkeerd en op z'n een vreemde benadering. Het zegt echter ook iets over de manier van handelen. Individualiteit geeft het argument om in te grijpen op het individu, en daarmee de werkelijke oorzaken van criminaliteit niet aan te pakken.
Het tekent de politieke wanstaltigheid; VVD, CDA en Fortuyn roepen voor keiharde repressie. Zij willen hard optreden, maar alleen wanneer de criminele activiteit al gedaan is. Hierdoor denken zij een schrikeffect teweeg kunnen brengen, wat slechts heel marginaal werkt. De criminaliteit neemt daardoor niet af, wordt wel meer zichtbaar en daardoor wordt het onveiligheidsgevoel groter.
De PvdA en D66 prediken inmiddels deze aanpak ook, maar maken een nuancering. Zij geven aan dat ook moet worden ingegrepen op het moment dat het gebeurt. Dat betekent in de praktijk: ingrijpen waar en wanneer de bolletjesslikker zijn bolletjes slikt. Een aanpak die bij de bron lijkt te liggen; toch is het vreemd dat ook deze partijen niet verder kijken dan hun neus lang is. De criminaliteit neemt niet af door op het moment dat het gebeurt in te grijpen, immers daarmee is de achterliggende oorzaak van criminaliteit nog niet blootgelegd. Ook wordt door het menigmaal ingrijpen tijdens criminele activiteiten het veiligheidsgevoel steeds kleiner.
De keuze is dus eigenlijk gemakkelijk; je moet niet achter de feiten aanlopen, maar het criminele gedag voor zijn, en de bronnen hiervan wegnemen. Deze zijn bijvoorbeeld te vinden in sociaal economische tegenstellingen. Het gaat er dus om criminaliteit terug te dringen door meer nivelerende maatregelen, zowel binnen Nederland als in de wereld. Of door de democratische transparantie groter te maken, en meer invloed van burgers op buurt en wijkniveau mogelijk te maken, zodat ze zelf verantwoordelijkheid krijgen. Door tolerantie in woorden en daden om te zetten. Daar kiest wonderwel slechts een partij voor.
Veiligheid is een te belangrijk onderwerp om gemakkelijke taal uit te slaan en te roepen dat alles opgelost wordt door harde repressie. Het tegengestelde zal het geval blijken. Ook het door ons voorgestelde beleid betekent niet dat criminaliteit zal verdwijnen; er zal altijd een geniale gek zijn die om wat voor reden dan ook illegale acties doet. Maar dat is, zoals ik eerder kort betoogde, goed voor samenhang in de maatschappij.
Aanpak van criminaliteit en het terugdringen van het onveiligheidsgevoel verdienen een aanpak die werkt, en is dus te gemakkelijk om af te doen met harde aanpak. Liever bij de oorzaak, het waarom beginnen, dan bij het hoe te eindigen.
2002 - OverDWARS