Jelmer's Infostek
artikelen geschreven
door Jelmer Uitentuis
Vrijheid van Meningsuiting kan niet zonder Artikel 1
De discussie over Vrijheid van Meningsuiting is gefingeerd; juist Artikel 1 is een voorwaarde voor Artikel 7 van de Grondwet
Het is een gefingeerde tegenstelling; Artikel 1 en Artikel 7 van de Nederlandse Grondwet. Na de uitspraken van Pim Fortuyn in de Volkskrant van 9 februari 2002 wordt de discussie tussen beiden echter wel volop gevoerd; wat ontbreekt is een heldere analyse. Fortuyn zei immers: als Artikel 1 van de Grondwet mijn Vrijheid van Meningsuiting in de weg zit, dan vind ik dat deze afgeschaft moet worden. Zit Artikel 1 die vrijheid in de weg? Nee, maar het stelt er wel grenzen aan; grenzen waar de ex-professor zich wellicht niet aan wenste te houden.
Het pleidooi om af te stappen van het Eerste Artikel van de Grondwet ging gepaard met uitspraken als: 'de islam is een achterlijke cultuur' en 'er komt geen islamiet het land meer in.' Beide uitspraken vallen onder de vrijheid van meningsuiting, alleen is de uitvoering van de tweede uitspraak op basis van Artikel 1 van de Grondwet ongrondwettelijk en dus in tegenspraak met de algemeen gedeelde normen en waarden waarin het rechtvaardigheidsgevoel gebaseerd is op gelijke behandeling zonder aanzien des persoons.
De letterlijke tekst van dat eerste artikel is immers: Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.
Dit is het grondbeginsel van Vrijheid van verschillende dingen. Het betekent dat je je eigen seksuele geaardheid mag hebben, en daarvoor door de overheid en de gerechtelijke macht niet anders mag worden behandeld. Dit betekent dat wanneer je als moslim aanzet tot haat je dezelfde strafrechtelijke behandeling krijgt als een christen die datzelfde doet. Het geeft dus een kader van gelijke behandeling; voor de overheid en voor de rechter.
Dit brengt direct een mate van vrijheid van handelen van het individu met zich mee; gelijke behandeling betekent dat de overheid en met name de rechter niet willekeurig mag zijn. Het betekent dus in primaire zin een beperking van de macht van de overheid, en brengt verantwoordelijkheid mee van de overheid en de rechter, en een vergroting van de vrijheid van het individu.
In Vrijheid van Meningsuiting is dat gedeeltelijk omgekeerd, maar er niet in tegenspraak mee; De overheid en de rechter zijn daarin beperkt door het eerste artikel van de Grondwet. De individuele burger wordt ook nauwelijks beperkt door het Zevende Artikel; zeggen wat je wilt, kan en mag, maar wordt begrensd door artikel 137 van het wetboek van strafrecht, waarin staat dat aanzetten tot haat en geweldpleging niet mag. Het Eerste Artikel van de Grondwet; gelijkheid voor de wet ondanks individuele kenmerken, is een groot goed. Wanneer de Vrijheid van Meningsuiting zou worden geschaad door dit grondkenmerk, zou de Nederlandse maatschappij ontwricht raken in zijn eigen rechtsgelijkheid en rechtvaardigheidsgevoel. Artikel 7 is eerder een logisch gevolg, en een versterking van het Eerste Artikel, dan een tegensprekend begrip.
Hoe slecht de wet gekend wordt werd na de verkiezingen van 15 mei pijnlijk duidelijk toen de nieuwe voorman van de Lijst Pim Fortuyn, Mat Herben, aangaf dat Eerwraak, Besnijdenis en Uithuwelijken niet mogelijk mochten zijn in de Nederlandse 'cultuur.' (whatever that may be?) Dat deze verboden al jaren in de wet staan is onlosmakelijk met het Nederlandse gevoel van rechtsgelijkheid verbonden. Wat is dan de achterliggende oorzaak van deze frustratie? Dat mens zich niet aan de wet houdt is immers niet uitzonderlijk voor mensen die Eerwraak, Besnijdenis en Uithuwelijken toepassen?
De bijna filosofisch discussie over Vrijheid van Meningsuiting tegenover de Gelijke Behandeling van iedereen ongeacht de criteria genoemd in het eerste artikel van de Grondwet ondergraaft de logica, en heeft een hoog Fotosjop gehalte. Dat wil zeggen; door zich in de discussie met een beroep op het Zevende Artikel van de Grondwet niet te onderwerpen aan het Eerste Artikel, ondergraaft men direct de legitimiteit van het Zevende Artikel.
Juist de Vrijheid van Meningsuiting is gebaat bij een heldere discussie, een discussie op basis van feiten, op duidelijke definities van de begrippen. Een politieke discussie is dat nog meer; die heeft als kenmerk dat er moet worden gezocht naar een procedure, een werkwijze en beleid om problemen het hoofd te bieden dan wel op te lossen. Juiste argumentatie gebaseerd op te verifiëren onderzoek en visies op de werkelijkheid, is dan onontbeerlijk. Te groffe generalisaties zijn een doodzonde, maar blijken ook niet werkzaam wanneer gezocht moet worden naar passende maatregelen.
Het is juist wat we niet willen; dat de Vrijheid van Meningsuiting rechtstreeks en indirect schade toebrengt aan mensen, aan het rechtvaardigheidsgevoel. Dat mensen op basis van Artikel 7 in het verdomhoekje worden geplaatst, buiten het debat komen te staan. Daarbij komt dat in dat geval het recht van de sterkste gaat gelden, daarbij komt dat in dat geval degene met de grootste bek gaat bepalen wat de ander mag, en wat de ander niet mag zeggen, denken en ventileren.
De discussie over Artikel 1 en Artikel 7 heeft dus een wrange bijsmaak. Want pleitbezorgers voor het heilig laten verklaren van de Vrijheid van Meningsuiting lijken zich over te hebben geleverd aan onverveeld gooi- en smijtwerk; de scheldkanonnades beschuldigingen en insinuaties hebben vrij spel. Een zuiver debat is daarom niet meer mogelijk.
Het lijkt een kwestie van tijd voordat deze pleitbezorgers zichzelf in de vingers gaan snijden, het lid op de neus krijgen. Dan gaat ook de Vrijheid van Meningsuiting tegen hen werken, en dan blijkt ook voor hen het gelijkheidbeginsel essentieel. Immers; wie zijn mening wil geven, moet dat wel doen in de vrijheid die gelijkwaardigheid met zich meebrengt, zonder dat, kan het niet.
2002