Zeitgeist

Hartverscheurende en geniale oppervlakkigheid; kennis als onzekere machtsfactor

Cultboeken uit Amerika. JD Salinger versloeg de verveling en identiteitscrisis van de jonge Holden Caulfield in The Catcher in the Rye. Douglas Coupland beschrijft jaren later hetzelfde voor de Generatie X. In 2000 komt Dave Eggers met zijn: A Heartbreaking Work of Staggering Genius (een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit).
Uit Engeland kenden we inmiddels Trainspotting, uit Nederland Gimmick! Werken van postmodernistische schoonheid, die evenzogoed bagger kunnen zijn. Kenmerk van het postmodernisme is dat dat beide kan. Schoonheid, Bagger. Gevolg is dat die identiteitscrisis, de onbeschrijfelijke en onbegrijpelijke schizofrenie die de huidige tijdsgeest met zich meebrengt. Iedere gedachtespinsel hinkt op twee of meerdere gedachten, en het mag, het kan.

De kenniscumulatie heeft de afgelopen jaren een vlucht genomen, daarbij is kennis gemakkelijker toegankelijk geworden. Maar niet een beetje kennis; vrijwel alle kennis, behalve militair strategische en gepatenteerde kennis, kun je alles te weten komen. Het pantser rons militaire strategie is echter met precisie te ontrafelen. Weet je het even niet meer; raadpleeg het Internet. Belgen weten meer, hebben meer feitenkennis, maar zijn minder creatief en minder goed in staat oplossingen te verzinnen, las ik laatst. Creativiteit is de vereiste voor de lange termijn handelsgeest, dus met de komende Nederlandse generatie komt dat wel goed. Immers, dankzij de sociaal democraten met hun Tweede Fase, worden creativiteit en internet er met de paplepel ingegoten. Dat straks 50% van Nederland met RSI thuis zit wordt gezien als een bedrijfsongevalletje.

Als alle kennis bereikbaar is, kan je mooi je mening vormen. En dat brengt de recalcitrantie in beeld. Iedereen weet inmiddels dat iedereen zijn stem zou moeten kunnen laten horen, iedereen weet inmiddels dat er allochtonen door Nederland huppelen, iedereen weet inmiddels dat de Euro is ingevoerd, dat er wachtlijsten zijn in de zorg, dat Ericsson telefoons veel beter zijn dat Nokia's of Siemens, dat het Philipskantoor in Amsterdam zit, en niet in de Rembrandt maar in de Breittner toren (vergeet dat niet!), vergeet ook niet dat rood, blauw en geel de kleuren zijn en zwart en wit niet, en dat kanker en aids dodelijk kunnen zijn en dat Friet en Roken ook dodelijk kunnen zijn en dat Jan Peter Balkenende een mobiele telefoon heeft met een stomme voicemail. En dat Mat Herben liegt over zijn CV, en dat de VVD de onderhandelingen voor Grijs 1 heeft gewonnen. En dat het morgen volgens Piet Paulesma mooi weer wordt en Eminem in Amerika woont.

Wat moet je met al die kennis? Het eerste hoofdstuk van Eggers boek gaat over zijn zieke moeder die hij verzorgd, die niet naar het ziekenhuis wil, en haar spuugbak volspuugt met groene, rode en zwarte spuug. Geen idee en geen interesse in wat die moeder dan uitspuugt. Eggers heeft die hang naar kennis niet; als hij iets niet weet dan geeft hij dat aan. Teneinde toch met plaatjes mee te zingen, mee te neurien, wanneer je de tekst van het liedje vergeten bent, zingt hij Mompelrock.

Rob Scholte, Nederlands kunstenmaker uit het Postmodernistische en drugsovergoten Tijdperk Klashorst en Zwagerman (Gimmick!) -U weet wel die kunstenaar die twee benen is kwijtgeraakt bij een bomaanslag en die af en toe in de pers roept dat hij weet dat hij weet wie de dader is- , maakte in de jaren tachtig furore met Fotosjop kunst. Normale hoofden met een uitpuilend oor, of een buitenproportioneel been. Hij schilderde het, en ik kan het op mijn computer en uit mijn printer laten komen. Het is oppervlakkig, maar onnoemlijk hip.

Zo gaat het precies met meningen; meningen zijn door de grote kenniscumulatie steeds sneller maar complexer te formuleren. Hinken steeds meer op (beperkte) feitelijke constateringen en morele oordelen daarover. En nu iedereen van alles wat vindt (u kent ze wel, die mondige burgers) raken oppervlakkige kennis en daaraan gekoppelde morele oordelen steeds meer in zwang. Die ene feitelijke constatering, dat prachtige oor dat de gelijkheid (mannen met een klein hoofd hebben een groot oor) bevestigt, wordt buiten de werkelijkheid geplaatst en ter verdediging van de oppervlakkige mening opgevoerd. En terwijl de mening van hem goed is, is ook de mening van mij, die dat oor helemaal niet zo groot vindt goed.

Postmodernisme is: 'U kunt ons niet tegenhouden als we zingen, als we scheten laten, als we onze hand uit het raampje houden om de aerodynamica bij verschillende handstanden na te gaan of het snot uit onze neus onder onze stoel afvegen. U kunt niet tegenhouden dat ik Toph, die acht jaar is, op een recht stuk laat sturen terwijl ik mijn trui uittrek omdat het ineens verdomd warm is geworden.' (Eggers)

Net zo min kun je iedere Nederlandse burger tegenhouden te zeggen dat buitenlanders slecht zijn of de islam een achterlijke cultuur, of … die mensen zijn en blijven er toch. Maar willen we terugkomen uit de oppervlakkigheid, dan kunnen we het niet afdoen met: 'dat is ook een mening,' die is zoals het postmodernisme ons leert, ook goed.

Eggers schreef een fantastisch briljant boek, maar hartverscheurend. Omdat het precies de schizofrenie van de kennismaatschappij beschrijft. Te veel kennis heeft een identiteitscrisis van de samenleving tot gevolg, te veel kennis levert te veel regelingen op, te veel kennis levert te veel beperkingen op. Maar kennis biedt ook de mogelijkheid die goed meningen die niet waar zijn te weerleggen. Een hartverscheurende spagaat van de postmoderniteit, de sociaal-democratie en de wetenschap, kennis is niet per se macht meer, maar een onzekere machtsfactor van betekenis.
2002 - www.jelmer.info